Email : Password :
Info van de dag :
Recent bezochte linken











25 jaar OIVO

Publicaties - OIVO
Datum : 30-01-2001
Share
Ter gelegenheid van zijn 25ste verjaardag organiseerde het OIVO op 16 november 2000 , een academische zitting rond het thema Duurzame Consumptie. In het voorjaar bracht het OIVO samen met de verbruikersorganisaties een 'Consumentenadvies' uit over het voorontwerp van plan voor duurzame ontwikkeling. Het OIVO liet op deze studiedag een aantal actoren aan het woord: de minister van Consumentenzaken en de minister van Economie, de staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling, experten uit de universitaire en NGO-wereld die het plan bekeken vanuit de invalshoek van de noord-zuidverhoudingen, het consumentengedrag en het sociale aspect van duurzame consumptie, de vertegenwoordigers van de consumentenorganisaties en de medewerkers van het OIVO zelf. De Wakkere Consument brengt het verslag van deze dag.

Ter gelegenheid van zijn 25ste verjaardag organiseerde het OIVO op 16 november een academische zitting rond het thema Duurzame Consumptie. In het voorjaar van 2000 bracht het OIVO samen met de verbruikersorganisaties een "Consumentenadvies" uit over het voorontwerp van plan voor duurzame ontwikkeling.

Het OIVO liet op deze studiedag een aantal actoren aan het woord: de inister van Consumentenzaken en de inister van Economie, de Staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling, experten uit de universitaire en NGO-wereld die het plan bekeken vanuit de invalshoek van de noord-zuidverhoudingen, het consumentengedrag en het sociale aspect van duurzame consumptie, de vertegenwoordigers van de consumentenorganisaties en de medewerkers van het OIVO zelf. Deze Wakkere Consument wil een weergave zijn van deze dag.

De dag werd voorgezeten door mevrouw Ann De Roeck-Isebaert, Voorzitter van de Raad van Beheer van het OIVO. In haar inleiding bracht zij hulde aan de pioniers van het eerste uur en schetste ze kort het ontstaan en de ontwikkeling van de instelling, gekaderd in de geschiedenis van de consumentenbeweging.

De consumentenbeweging ontstond haar wortels op het einde van de vorige eeuw met de opkomst van de verbruikerscoöperatieven, het optreden van de vakbonden om de koopkracht van de mensen te verhogen en te verdedigen, de gezins- en vrouwenorganisaties die vooral actief waren op het gebied van vorming en opvoeding. Vanaf de jaren vijftig kennen wij, in navolging van Amerikaanse initiatieven, de opgang van de gespecialiseerde consumentenorganisaties die zich vooral toeleggen op vergelijkende testen en prijs-kwaliteitsanalyses.

In 1964 werd de Raad voor het Verbruik geïnstalleerd als advies- en overlegorgaan waarin de verbruikersorganisaties en de vertegenwoordigers van producenten en distributeurs hun advies kunnen geven over verbruikersaangelegenheden.

Tien jaar later, na de eerste petroleumcrisis van 1973, lanceerde de regering de Mercatorcampagne in het kader van de anti-inflatiepolitiek. De bedoeling was de verbruiker bewust te maken van zijn rol in de economie. De consumentenorganisaties waren niet zo gelukkig met deze campagne. Zij stelden aan wijlen Minister Oleffe voor de voorziene gelden te spenderen aan een algemene actie voor een betere en meer duurzame verbruikersinformatie en -bescherming. De werkings- en actiemogelijkheden van de verbruikersorganisaties werden immers vaak geremd door de grote techniciteit van de problemen waarmee ze geconfronteerd werden. De Minister van Economische Zaken stelde daarom voor een deel van zijn budget te besteden aan een instelling die ten dienste zou staan van alle verbruikersverenigingen.

De basisopdracht van de instelling is het verlenen van technische hulp aan de verbruikersorganisaties, het valoriseren van de consumptiefunctie en het bevorderen van de consumentenbescherming. De erkenning van de rechten van de consument werd in die tijd ook op Europees niveau een beleidszaak.

Het OIVO heeft vanuit zijn verschillende diensten (studie, informatie en documentatie) verschillende thema's aangesneden en is duidelijk met de tijd meegegaan. De thema's: handelspraktijken, toegang tot het gerecht, universele dienstverlening, ecologische en ethische consumptie, voedselveiligheid blijven actueel maar ze krijgen een andere invulling. Het OIVO neemt het voortouw in de Europese campagne rond voedselveiligheid, volgt de problematiek rond additieven en GGO's op en zal deel uitmaken van het adviescomité van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Belangrijke thema's als publiciteit, de informatiemaatschappij en de evolutie van de e-commerce blijven onze aandacht behouden. Op het vlak van gezondheid denken wij bijvoorbeeld aan de antitabakcampagnes en de inspirerende rol bij het tot standkomen van de antitabakwetgeving. Voor ecologische consumptie werkt het OIVO in netwerken, zoals het Réseau Ecoconsommation Wallonie, Verde en het Brussels Observatorium voor Duurzame Consumptie. De dienst Opvoeding van de Jonge Consument, al actief sinds het ontstaan van de instelling, is coördinator van de jaarlijkse Europese wedstrijd voor de jonge consument.

Het OIVO is aanwezig als expert in verschillende consultatieve organen, zoals de Raad voor het Verbruik en de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling.

De groeiende interesse voor duurzame ontwikkeling uit zich bij de consumenten onder meer in de deelname van de consumentenorganisaties aan de voorbereiding van het federaal plan voor duurzame ontwikkeling. Het OIVO bracht samen met de verbruikersorganisaties een advies uit over het voorontwerp van plan voor duurzame ontwikkeling.

Wat de burgers als "consumenten" aanbelangt in het Federaal plan voor Duurzame ontwikkeling, dat de regering heeft goedgekeurd.

In zijn toespraak herinnert Olivier Deleuze, Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, eraan dat na de ontberingen en tekorten van de tweede wereldoorlog, economische groei een aantrekkelijke doelstelling was. Tot het einde van de jaren zestig was de Amerikaanse droom het ideaal. Wij droomden van robotten om de vaat te doen en van autosnelwegen met 10 rijstroken. Vooruitgang was de graadmeter, met sociale en milieu-effecten werd geen rekening gehouden. De economische theorie was deze van de kringloopeconomie, en dit zonder rekening te houden met negatieve neveneffecten. De productiewijze was niet duurzaam want er werd geen rekening gehouden met de beperktheid van de beschikbare middelen.

Tijdens de eerste petroleumcrisis in het begin van de jaren zeventig (toen het OIVO werd opgericht!) was er een begin van bewustwording van de grenzen aan de groei en aan de consumptiemaatschappij. Onze maatschappij is kwetsbaar. Wij zagen het nog vorig jaar toen 500 gram dioxine in de voedselketen gevolgen bleek te hebben tot in Taiwan!

Olivier Deleuze dankt het OIVO voor zijn bijdrage tot een grotere zingeving aan de consumptiemaatschappij en de permanente bijdrage tot een collectief bewustzijn. Nu is iedereen het er vrijwel over eens dat onze leefpatronen alles behalve duurzaam zijn. De publieke opinie is er zich meer en meer van bewust en erkent bijvoorbeeld de oorzakelijke samenhang van leefgewoonten met de klimaatsveranderingen. Zijn wij bereid om te veranderen, in welke mate en wanneer? De verschillende rollen en functies die wij te vervullen hebben, leiden tot belangenconflicten. Wij weten wel dat er moet worden opgetreden, maar hoe?

Het federaal plan voor duurzame ontwikkeling is een spiegel voor de maatschappij en belangt iedereen aan. De staatssecretaris moet de wet van 1997 toepassen, dwz een plan uitwerken, het laten goedkeuren door de ministerraad, het laten toepassen en het resultaat laten beoordelen door de bevolking. Duurzame ontwikkeling betreft zowel milieuaspecten als sociale aspecten; men zou alleen milieuaspecten in overweging kunnen nemen zonder het sociale, maar dit is weinig zinvol. In het plan zijn verschillende voorstellen en maatregelen opgenomen die betrekking hebben op de consumptie en waarbij het OIVO een rol kan spelen.

Het plan overspant een periode van 4 jaar en er zijn verschillende tussentijdse streefdoelen voorgesteld. Zo proberen wij onder meer de biologische landbouw uit het getto van het alternatieve of het luxueuze te halen, zodat biologische producten vlot te verkrijgen zijn in de grootwarenhuizen. Biologische eigenschappen worden een verkoopargument, wijzigingen in consumptiepatronen worden immers pas positief als die op grote schaal doorgaan. De maatregelen in verband met de voedselketen staan niet voor niets onder de rubriek volksgezondheid.

Wat leefmilieu betreft zijn vier grote problemen weerhouden: het klimaat, residu's van toxische stoffen in het milieu, kernenergie en de bedreigingen voor de biodiversiteit.

Duurzame ontwikkeling is een uitdaging: als men niets doet, zal iedereen betalen. Kijken we naar het voorbeeld van het water: gezien de huidige productiestructuren en machtsverhoudingen is het gebruik van pesticiden in de landbouw nog niet noemenswaard afgenomen: drinkwater blijft dus vervuild en meer en meer mensen gaan flessenwater kopen. De politieke wil en de inspanningen van alle actoren zijn dus nodig om de kwaliteit van het drinkwater te herstellen en te voorzien in drinkbaar water voor iedereen tegen een betaalbare prijs.

Wanneer het over de prijs gaat, moet niet alleen de aankoopprijs, maar ook de kost van alle neveneffecten, in rekening gebracht worden. En de vraag is niet of die prijs hoog of laag is, maar wie betaalt. Of in welke hoedanigheid we betalen: als consument of als belastingbetaler? Overbodige accessoires of gadgets laten we best terzijde zoals bijvoorbeeld optische witmakers in wasproducten. De consument kan een keuze maken en heeft het recht om te kiezen, maar daarvoor moet de informatie gegarandeerd worden. Denken we daarbij aan de GGO's. Ongeacht of ze nu al of niet schadelijk zijn, moet de consument kunnen kiezen voor producten zonder GGO's: informatie over hun aanwezigheid in de voedselketen is dus noodzakelijk, en een zekere regelgeving terzake is dus nodig. Zo zou bijvoorbeeld ook de taks (BTW of accijnzen) op milieuvriendelijke producten verlaagd kunnen worden. De Staatssecretaris stelt ons de vraag: "Zijn wij vandaag al in staat om iets te doen of wachten wij nog op een Erika op het vlak van consumptie?".

Hoopgevende elementen en beperkingen in dit plan voor de toekomst van duurzame consumptie,en wat er bij zijn toepassing op het spel staat.

Erik Paredis van het Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling schetst de duurzame ontwikkeling en de noodzakelijke veranderingen in het licht van de noord-zuidverhoudingen. De uitzending van de film "De Mars" (over een hongersnood in Afrika en de vlucht van 10.000 Afrikanen naar Gibraltar) op een Duitse zender leidde tot een discussie tussen West-Europese en Afrikaanse leiders over de vraag of de westerse consumptiegewoonten al of niet gemeengoed moeten worden. Vanuit de optiek van duurzaamheid is de veralgemening van het westerse patroon geen goede zaak. In het noorden zijn een heroriëntering van het consumptiegedrag en een herdefiniëring van de begrippen welvaart en vooruitgang noodzakelijk. Hoe is dit model te veranderen? Welke strategie kunnen we volgen?

Er is eerst en vooral de efficiëntiestrategie: het gaat over de grotere productiviteit bij het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met als doelstelling minder input per product, van factor 4 in 2010 tot factor 10 in 2050. Daarnaast moet deze efficiency-strategie gepaard gaan met een sufficiency-strategie, een strategie van het genoeg. Hoeveel is genoeg? Streefdoel is met minder materiële consumptie hetzelfde welzijn garanderen. En last but not least moet de herverdelingsstrategie toegepast worden, door stabiele wereldprijzen te garanderen en de schuldenlast van de derde wereld te verminderen.

Deze aandachtspunten zijn, mede door adviezen van NGO's, mee opgenomen in het plan, maar het is niet duidelijk wat dit alles inhoudt voor onze samenleving. Men heeft de keuzes waarvoor we staan niet kunnen, willen, durven of mogen verduidelijken. De voorstellen inzake energie en afvalpreventie zijn in dit opzicht bevredigend, de doelstellingen inzake mobiliteit zijn opgenomen, maar hoe we ze moeten bereiken blijft in het vage. Eerlijke handel daarentegen is weggevallen. Ook over bepaalde indicatoren inzake duurzame ontwikkeling spreekt het plan niet meer.

Edwin Zaccaï (IGEAT- Institut de Gestion de l'Environnement et d'Aménagement du Territoire) wenst dit beeld van de noord-zuidverhoudingen nog aan te vullen. In het noorden neemt de privé-consumptie nog toe. Gedurende de laatste 25 jaar is het verbruik van de gezinnen met 50% gestegen. Het begrip 'genoeg' (suffisance) kwam maar sporadisch voor in economische teksten en de cultuur van economische groei maakt de realisatie van een plan voor duurzame ontwikkeling moeilijk.

We kunnen dit plan benaderen vanuit een ethisch aspect: wat betekent mijn consumptie in mijn verhouding tot de anderen - hier of in het zuiden -, en wat voor mezelf? Hoe draagt zij bij tot mijn eigen welzijn?

Het begrip verantwoorde consumptie kan tot verwarring leiden: de verbruiker informeren en hem toelaten om te kiezen en door die keuze de markt te beïnvloeden lijkt een verleidelijke win-winstrategie, maar dan één die voor de verbruiker niet noodzakelijk tot de beoogde resultaten leidt.

E. Zaccaï geeft het voorbeeld van een groep multinationals die werkten rond het duurzaamheidsprincipe. Duurzaamheid omvat volgens hen vooral milieucriteria en niet de sociale criteria en zij gaan er vanuit dat consumenten risico's voor zichzelf willen vermijden. Dus is de basismotivatie voor verandering eerder de vrees dan de ethiek van de consumenten. Het zal dus moeilijker zijn producten te veranderen die enkel een risico inhouden op milieu of op sociaal vlak maar niet voor de verbruiker zelf.

Wat betreft de informatie van de consument geeft het plan verschillende bemerkingen over de impact van reclame op het consumentengedrag. De voorgestelde maatregelen - een commissie voor milieuetikettering en milieureclame - met een dwingender karakter-, uitgebreid tot ethische reclame, en een meer coherent systeem voor etikettering volstaan voor hem niet. Hij citeert het boek 99 F van F. Beigbeder: marketing is oppermachtig. Als men invloed wil hebben op de consumenten, moet samengewerkt worden met marketeers en moet men op een meer professionele manier communiceren met de consument.

Het plan spreekt over sensiblisering maar niet over de modaliteiten ervan. Zaccaï is niet akkoord met het begrip "oppermachtige consument". In werkelijkheid is de consument zeer afhankelijk en zijn keuzevrijheid is beperkt. Daarbij is voor de invoering van structurele maatregelen het internationaal niveau zeer belangrijk: BTW-tarieven worden bepaald op Europees niveau, over eventueel noodzakelijke beperkingen van vrijhandel wordt op internationaal niveau onderhandeld,...

Al bij al bevat het plan goede ideeën en is zijn cultureel effect zeer positief. Alle betrokken actoren zouden de voorgestelde maatregelen uit het hoofd moeten kennen en moeten blijven hameren op de noodzakelijke toepassing.

Nadine Fraselle (lector aan de UCL, Onderzoeksverantwoordelijke bij het Centre de Droit de la Consommation en Directrice van het Observatoire du Crédit et de l'Endettement) benadrukt de sociale aspecten van duurzame ontwikkeling. Overheidsinstanties trachten een evenwicht te vinden tussen economie, ecologie en sociale bescherming. Maar in het kader van duurzame ontwikkeling wordt de sociale benadering gewoonlijk vergeten of geminimaliseerd. Het sociale consumerisme is nog niet zo ontwikkeld als het ecologisch consumerisme. Ecologie is een kennispool en heeft een collectief draagvlak. Sociaal consumerisme betreft zeer verschillende problemen: de situatie van de derde wereld, de mensenrechten en sociale uitsluiting in onze eigen landen.

De inkomensstructuur van de Belgen toont aan dat de 25% gezinnen met de laagste inkomens (rond 500.000 BEF netto per jaar) meer consumeren dan ze verdienen. Het verschil tussen inkomsten en uitgaven wordt gefinancierd door een beroep te doen op consumentenkrediet.

Voor deze categorie inkomenstrekkers volstaan de sociale uitkeringen of de minimumlonen niet om de basisproducten en -diensten te kunnen kopen. Daarentegen zijn het de 25% hoogste inkomenstrekkers die kunnen sparen.

Als we dan over de band tussen sociale ontwikkeling en duurzame ontwikkeling spreken, stellen we vast dat armoede een rem of een hinderpaal is om in een naaste toekomst verantwoordelijkheid op te nemen ten aanzien van duurzame ontwikkeling. De minstbegoeden hebben meer problemen als consument: zij zijn meer slachtoffer van bedrieglijke praktijken en sociale uitsluiting, zij zijn ook moeilijker te sensibiliseren, terwijl ze het toch het meest nodig hebben.

Dit alles is het onderzoeksonderwerp van het Observatorium voor het krediet.

Drie situaties geven het meest aanleiding tot financiële problemen: een te klein inkomen, waarbij krediet het gewone inkomen permanent aanvult, een tegenslag in het leven van gezinnen die het al minder goed hebben en tenslotte de levensstijl van gezinnen die leven van dag tot dag, zonder planning of vooruitziendheid.

De opvoeding van de consument moeten we dan ook zien in een globaal sociaal kader: een mens moet kunnen leven met plannen en perspectieven en moet zijn zelfbeeld kunnen bijstellen en het loskoppelen van hetgeen hij koopt. Vele aankopen gebeuren immers om zich te kunnen spiegelen aan de rijk(er)en.

De vooruitzichten van de OESO in 1998 gaven een nieuwe benadering van verantwoorde consumptie: voor velen is het louter een kwestie van overleven.

Milieuetikettering heeft maar effect bij al gesensibiliseerde verbruikers. Wijziging van consumentengedrag mag geen financiële kost of inlevering van comfort met zich meebrengen. De mentaliteit is veranderd, maar het aankoopgedrag nog niet. De OESO stelt voor een reeks maatregelen te nemen om globale maatschappelijke acties te ondernemen die de consumenten helpen hun gedrag te veranderen omwille van een ideaal, vanuit een ethische benadering en niet alleen uit financiële noodzaak.

Duurzame consumptie: een mobiliserend onderwerp voor de verbruikersorganisaties en voor het OIVO. Panel en debat met de aanwezigen.

Hoe spelen de verbruikersorganisaties en het OIVO in op deze uitdagingen van duurzame ontwikkeling? Luk Joossens, coördinator van de afdeling gezondheid en analyse van consumentengedrag, vroeg het aan de beheerders en de OIVO-medewerkers.

Walter Hilgers, Directeur Communicatie bij Test-Aankoop, schreef in 1973 "Le consommateur piégé". Hem wordt de vraag gesteld of een goed geïnformeerde consument inderdaad meer gewicht in de schaal legt. Volgens Walter Hilgers kan een goed geïnformeerde consument betere keuzes maken en zo invloed uitoefenen. Hij verwijst onder meer naar de impact van het klassement dat Test-Aankoop jaarlijks maakt van de prijzen in supermarkten. Maar de impact is nog beperkt: er zijn nog sectoren waar de consument niet echt een keuze heeft, (dat was bijvoorbeeld lang het geval voor de elektriciteit).

Er zijn ook limieten die samenhangen met de consumptie zelf. Alleen door informatie kan consumptie niet verminderd worden. Denken we aan de automarkt: vandaag rijden er in België 4,5 miljoen auto's! Walter Hilgers geeft toe: de technologie is verbeterd en auto's zijn minder vervuilend. Maar dit positief effect wordt tenietgedaan door het grotere aantal wagens. En om dat te verminderen moet een ander steden- en mobiliteitsbeleid gevoerd worden.

Volgens Test-Aankoop begint de ecologische en ethische dimensie een rol te spelen in de keuze van de consument. Zij wordt een verkoopsargument en een onderdeel van de bedrijfsstrategie. Anderzijds stelt Test-Aankoop ook vast dat er een afstand is tussen de intenties van de consument en zijn daden. De consument is bereid een inspanning te doen, liefst niet al te groot, maar toch...

Er moet dus een evenwicht gevonden worden tussen een aanvaardbare meerkost en meer ecologische en ethische garanties.

Ingrid Vanhaevre, coördinator van de afdeling voeding en veiligheid van het OIVO, geeft commentaar bij de optie uit het plan 'blijkbaar moeten wij meer verse groenten eten en minder energie verbruiken'. Volgens haar is dit evident vanuit het standpunt van de volksgezondheid. In termen van duurzame ontwikkeling wil dit zeggen dat ze geproduceerd moeten worden en beschikbaar moeten zijn. Nochtans bestaat de actuele tendens erin om meer en meer getransformeerde producten, die meer energie vragen bij de productie, te kopen. De doelstelling van het federaal plan - 8 kg verse groenten en fruit per persoon per jaar - is uiteindelijk zeer bescheiden als we deze stellen tegenover de totale consumptie van landbouwproducten per persoon per jaar (dit is 256 kg, alleen al voor fruit, groenten en aardappelen).

Een ander streefdoel van het plan is te komen tot 4% biologische landbouw in 2004. In andere Europese landen is dit aandeel al groter. Consumenten zijn willen wel meer biologische producten kopen en zijn zelfs bereid er meer voor te betalen. Maar zij stellen zich hier vragen; wat is bio? Hoe bio-producten herkennen? Waar ze te vinden? Wat met de kwaliteit? Volgens I. Vanhaevre is 4% biologische landbouw een realistisch streefdoel.

In de inleiding werd allusie gemaakt op de petroleumcrisis van 1973, kort voor de oprichting van het OIVO. Nu kennen we opnieuw een explosieve stijging van de petroleumprijzen. Aan Daniël Van Daele, nationaal secretaris van het ABVV, wordt de vraag gesteld hoe de syndicaten hierop reageren. Volgens Van Daele benaderen de vakbonden deze situatie multidimensioneel: van bij hun oprichting hebben zij zich ingezet voor de kwaliteit van het leven en hun strijd voor hogere lonen moet in deze optiek bekeken worden.

In het domein van de energie bekwamen de vakbonden in het Controlecomité voor de Gas en de Elektriciteit een korting van 3.206 BEF op de gasfacturen voor de minstbegoede gezinnen. Dit vanuit het perspectief van het recht op energie, zonder een beroep te moeten doen op het OCMW. Voor de gassector betekent dit anderhalf miljard BEF. Wat de elektriciteitstarieven betreft, wordt gewoonlijk een jaarlijks vastrecht en een prijs per verbruikte eenheid betaald. Dit systeem is niet degressief en de grootste verbruikers worden dus in verhouding bevoordeeld. Om dit te veranderen, zou het vastrecht moeten verminderen.

Naast het optreden op het vlak van de energie nam het ABVV ook initiatieven rond generische geneesmiddelen en bankdiensten.

De band tussen generische geneesmiddelen en duurzame ontwikkeling ligt op het sociale vlak, vermindering van de aankoopprijs en de verhouding tussen producent en verbruiker. Als een onderzoek gerentabiliseerd is, is het ook de consument die hier zijn voordeel uit moet halen en niet de industrie die zich hierdoor verder moet verrijken. In het kader van de volksgezondheid voorziet de regering een preferentieel regime voor de generische geneesmiddelen.

Edwin Zaccaï had het in zijn tussenkomst over de invloed van de reclame. Wim Van Poucke, coördinator van de juridisch-economische afdeling van het OIVO, geeft denkpistes over hoe hier opgetreden kan worden. Hij verwijst naar de werking van de Commissie voor Milieuetikettering en milieureclame. Deze commissie stelde een milieureclamecode op die gebaseerd is op drie principes: milieureclame moet eerlijk zijn, zij mag niet onrechtmatig veralgemenen en moet wetenschappelijk aantoonbaar juist zijn. De controle werd toevertrouwd aan de JEP, de Jury voor Eerlijke Praktijken inzake Reclame, het autodisciplinair orgaan van de reclamesector. Wordt de code toegepast en volstaat de zelfcontrole? Bij de evaluatie blijken de antwoorden op deze vragen eerder negatief. Daarom wordt gepleit om de milieureclamecode een dwingend karakter te geven en te voorzien in daadwerkelijke sancties. De controle moet gebeuren door een officiële instantie of een onafhankelijke commissie.

Wat de reclame voor krediet betreft, zijn een aantal bepalingen opgenomen in de wet op het consumentenkrediet. Toch maken sommige vormen van reclame voor kredieten (zoals 'hier onmiddellijk geld', of 'ingeschreven op de zwarte lijst',... ) misbruik van de zwakheid van de consument en sporen zij aan tot een overmatige schuldenlast. In het kader van een preventieve bestrijding van schuldoverlast moeten een duidelijk verbod op bepaalde reclames worden ingesteld. Bij de evaluatie van de wet op het consumentenkrediet bleek dat het probleem zich vooral stelt op het vlak van de toepasbaarheid van de regels en op het vlak van de controle. Men kan het beste juridische kader creëren: maar zonder een daadwerkelijke en een strikte controle en de nodige middelen hiervoor, wordt dit een lege doos.

Catherine Rousseau, coördinator van de afdeling milieu en duurzame consumptie heeft het over de reële macht van de consument. De consument heeft maar invloed als hij goed geïnformeerd en goed georganiseerd is. Goed georganiseerd wil zeggen op een collectieve basis. Alleen als een collectief en coherent signaal gegeven wordt, kan de consument zijn macht tonen. Deze collectieve optredens zijn zelden van lange duur en hebben nood aan ondersteuning.

Nochtans mogen we de invloed van de consument-koper niet verkeerd inschatten als we hem vragen de juiste keuzes te maken - consumenten zijn geen experten in chemie. Zijn labels efficiënt en bruikbaar als informatiemiddel? Labels zijn een interessant instrument, maar moeilijk te hanteren: we kennen zowel voorbeelden van succes als van mislukking.

Zo is het Europees Milieulabel in België een gemiste kans, terwijl Biogarantie een succesvol label is. Voorwaarden voor succes zijn het vertrouwen dat gebaseerd is op efficiënte en onafhankelijke controles, de zichtbaarheid in de verkooppunten en de informatiecampagnes die erover gevoerd worden. Labels mogen geen aanleiding zijn tot dualisering van de consumptie, integendeel, zij moeten bijdragen tot de kwaliteitsverbetering van alle producten.

De consument moet ook weten dat sommige producten gevaarlijk zijn, vervuilend, onnuttig of overbodig. Het volstaat om een kijkje te nemen in de rekken van grootwarenhuizen. Milieuetikettering is soms nog te oppervlakkig, niet noodzakelijk misleidend maar ook niet helemaal coherent. Consumenten kennen de betekenis van de pictogrammen niet. Auto-labelling zou vermeden moeten worden; die laat immers denken dat er garanties zijn, terwijl alleen de producent controle uitoefent.

Nu laten wij de deelnemers in de zaal aan het woord.

M. Cornély, secretaris-generaal van OPHACO, meent dat men in termen van kwaliteit dikwijls vergeet dat een goed product een juiste verwisselbaarheid voor de consument impliceert. Een toestel dat bij de aanschaf meer kost, maar toelaat bij gebruik grotere energiebesparingen te doen, zal op termijn goedkoper uitkomen.

Hij geeft ook zijn mening over generische geneesmiddelen. Hij vreest dat de gevoerde politiek niet de verwachte voordelen zal opbrengen voor de Sociale Zekerheid. Het plan van Minister van Sociale Zaken Vandenbroucke vergeet de tussenpersoon die een cruciale rol speelt in de keuze van de patiënten. Geen enkele informatiecampagne naar de patiënt is succesvol als ook niet de apotheker zijn belang ziet. Daarom hebben generische geneesmiddelen hier geen succes. Het Franse plan terzake is beter en ook zijn de artsen betrokken partij.

In zijn repliek zegt Luk Joossens dat "Poor may more" actueel blijft. In de discussiegroepen met consumenten komt telkens weer naar voor dat een product dat goed is voor de gemeenschap en het milieu, minder zou moeten kosten, en niet meer zoals nu het geval is. Wat betreft de generische geneesmiddelen zegt hij dat het juist de artsen en apothekers - behalve OPHACO - zijn die de vooruitgang in de weg staan. Voor de gezinnen verhoogt de factuur voor de gezondheidszorgen; sommige patiënten halen geneesmiddelen op het doktersvoorschrift door omdat het totaal bedrag te hoog is. Luk Joossens stelt een maximale factuur voor hospitalisatie voor, (variabel volgens bepaalde categorieën geneesmiddelen en ziekte).

Hieromtrent meent D. Van Daele dat de geneesheer louter de molecule voorschrijft en dat de apotheker in functie hiervan het geneesmiddel kiest. Zo ging het tot 1960. Daarna heeft men geen maatregelen voor responsabilisering getroffen en tenslotte betaalt iedereen. Ondertussen bereikt de verkoop van generische geneesmiddelen ongeveer 20%. De apotheker is geen kruidenier, hij moet zelf zijn statuut hervaloriseren. Zijn klanten staan gewoonlijk in een afhankelijkheidspositie ten aanzien van de arts; de raadgevingen van de apotheker kunnen hen weerbaarder maken.

Walter Hilgers merkt op dat het Plan voor Duurzame Ontwikkeling veel nadruk legt op informatie, sensibilisering en labels. Maar indien men werkelijk resultaten wil bereiken, dan moet men middelen inzetten om meer striktere normen te bekomen. Zo meten wij nu minder lood in de lucht, na het verbod van lood in benzine. Toen deze maatregel werd ingevoerd, protesteerde niemand en begreep iedereen zijn nut. Volgens hem wordt nu te veel gehamerd op de 4% biologische landbouw. Deze mogen niet als voorwendsel dienen om voor de resterende 96% eender wat te accepteren.

Luk Joossens herinnert eraan dat het hier gaat om een Federaal plan en dat in de uitvoering rekening gehouden moet worden met de bevoegdheidsverdeling. Nadine Fraselle vindt het nuttig in de uitvoering rekening te houden met fiscale maatregelen voor de consumenten, maar ook voor de ondernemingen. Zo kan men spreken over een sociaal voordeel, via de fiscaliteit.

Natacha Zwinnen, een van de basismedewerkers aan het plan, wijst erop dat er een evenwicht is tussen de delen gewijd aan de productiezijde en deze over de consumenten. Men moet het plan in zijn geheel zien.

Besluiten van het colloquium en toekomstperspectieven voor het OIVO

Uit de verschilldende tussenkomsten weerhoudt Jean-Marie Beguin, Directeur van het OIVO, enkele sleutelideeën.

  • Het is een illusie te denken dat de productie gestuurd kan worden in de richting van duurzame ontwikkeling enkel via de voorlichting en sensibilisering van de consumenten. Verbruikers zijn immers afhankelijk van het aanbod en van de reclame, een sector die nader moet bekeken worden. Duurzame consumptie kan enkel het resultaat zijn van een reeks maatregelen.
  • Het begrip 'genoeg' als cultureel consumptiemodel: duurzame ontwikkeling en duurzame consumptie impliceren ook sociale vragen. De armen, zowel in het zuiden als hier, zijn evengoed betrokken partij, maar het sociale consumerisme loopt vertraging op, alhoewel onlangs maatregelen genomen zijn op het vlak van energie en gezondheidszorgen.
  • Indien men van oordeel is dat voorlichting van de consument maar zin heeft in het kader van een geheel van bredere maatregelen (zoals respect voor normen door de ondernemingen), is het nodig na te gaan welke convergerende maatregelen op het vlak van fiscaliteit, normen, ... het plan nog bevat.

De recente petroleumcrisis toont aan dat er in 25 jaar wel een en ander veranderd is. Het idee om de prijzen beter te controleren kent vandaag niet veel bijval meer. Men rekent meer op concurrentie dan op prijzencontrole om de inflatie te beheersen. Daarentegen is het idee om ons energieverbruik te verminderen wel beginnen doordringen. De noodzaak om onze CO2-productie terug te schroeven wordt regelmatig herhaald via de media. Ook de sociale context is verschillend. Inkomensverschillen worden weer groter en nieuwe vormen van armoede steken de kop op. Dat verklaart waarom de verbruikersorganisaties, en in het bijzonder de vakbonden, zich duidelijk uitspreken voor de verdediging van de koopkracht van de gezinnen met een bescheiden inkomen.

Ondertussen haalt de gekkekoeienziekte de krantenkoppen en zorgt ze voor onrust.

Deze twee voorbeelden zijn goede illustraties van de vier uitdagingen waarvoor de verbruikersorganisaties en het OIVO nu staan.

De verdediging van de belangen en rechten van de verbruikers ten overstaan van commerciële praktijken, en dit in een context van uitbreiding van de markten en van marketing, van toenemende concurrentie en pseudo-concurrentie en een vermindering van de overheidsinmenging. De verdediging van de consumentenbelangen was van bij de aanvang de eerste prioriteit van het OIVO en kreeg zijn uitwerking door de deelname als expert in de Raad voor het Verbruik, bij de totstandkoming van de reglementering van handelspraktijken, postorderverkoop, reclame, onrechtmatige bedingen, krediet, schuldoverlast, elektronische handel.

Stimuleren van duurzame consumptie en bijdragen aan de evolutie van consumptiepatronen die meer in overeenstemming zijn met duurzame ontwikkeling, en dit in een context waarin overconsumptie voortdurend aangemoedigd wordt. Het OIVO is al bijna tien jaar actief rond ecoconsumptie in een partnerschap met milieuorganisaties, vooral in het kader van regionale programma's rond de afvalproblematiek. De wet van 5 mei 1997 legde de basis voor het federaal beleid inzake duurzame ontwikkeling. Het OIVO is aanwezig in de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling en was co-adviseur voor het voorontwerp van federaal plan voor duurzame ontwikkeling. Ondertussen zijn de activiteiten van het OIVO ook uitgebreid tot ethisch consumeren, onder meer met de organisatie van het Forum Bewust Verbruiken in december 1998.

Op het vlak van duurzame consumptie heeft het OIVO de voorbije jaren heel wat knowhow ontwikkeld: in communicatie door een beter inzicht in consumptiegedrag; in het formuleren van concrete praktische adviezen door het analyseren van producten; in het formuleren van eerlijke en correcte informatie van de consument door de kritische analyse van reclame, etikettering en labels. Op basis hiervan werden concrete voorstellen gedaan naar de overheid toe, maar ook naar de producenten en verdelers toe, om een meer duurzaam consumptiepatroon aan te moedigen.

De toegang tot een basisconsumptie voor iedereen in verhouding tot het ontwikkelingsniveau van onze maatschappij, en dit in een context van groeiende ongelijkheid en sociale uitsluiting. De toestand is zeer ongelijk in de verschillende sectoren: telecommunicatie, banken, water, gas, elektriciteit, mazout, teledistributie, rusthuizen, afval, transport. Soms worden maatregelen genomen om de toegang tot de diensten voor iedereen te garanderen, terwijl in andere sectoren zulke maatregelen juist worden afgeschaft. Ook heerst er verwarring tussen enerzijds de maatregelen om minimale diensten te voorzien voor verbruikers met betalingsmoeilijkheden en waarbij deze hun gebrekkige financiële middelen moeten bewijzen om bijstand te krijgen en anderzijds de voorziening van basisdiensten voor verbruikers met bescheiden inkomsten, zonder dat zij hun inkomen moeten kenbaar maken, gewoon omdat het recht op deze diensten voortvloeit uit het recht om deel te nemen aan de activiteiten van een ontwikkelde maatschappij.

Er moet dus een meer coherente houding komen ten aanzien van gezinnen met bescheiden inkomens wat betreft minimumdienst, basisdienst en progressieve tarifering.

Het OIVO moet bijdragen tot het behoud van (of in sommige gevallen zelfs de terugkeer naar) productie- en consumptiemethoden die de gezondheid van iedereen vrijwaren, en dit in een context waarin gezondheid dikwijls minder doorweegt dan de concurrentie en de rentabiliteit van de ondernemingen.

Productveiligheid was de tweede prioriteit die het OIVO van in het begin toegewezen kreeg. Veiligheid van speelgoed en informatiecampagnes rond veiligheid kregen heel wat aandacht. Het OIVO neemt deel aan de werkzaamheden van de Commissie voor de Veiligheid van de Consumenten en heeft jarenlang een belangrijke rol gespeeld in de werking van het EHLASS, een registratiesysteem van gegevens over ongevallen thuis en in de vrije tijd, in België. EHLASS heeft nu opgehouden te bestaan, maar een nieuw systeem van gegevensverzameing moet door de overheid op punt gesteld worden. Het OIVO wenst zijn jarenlange ervaring hiervoor ten dienste te kunnen stellen.

Het OIVO is ook actief op het gebied van tabakspreventie. De tabaksindustrie is duidelijk een sector waar de gezondheid van de consument ondergeschikt is aan de expansie en het winststreven van de multinationale ondernemingen. Sedert 17 jaar laat het OIVO jaarlijks een enquête uitvoeren over het dagelijks rookgedrag van de Belgische bevolking van 18 jaar en ouder. De resultaten worden gepubliceerd en de consumenten worden attent gemaakt op de gevaren van het tabaksgebruik. Het OIVO doet aanbevelingen inzake preventie, op Belgisch en Europees vlak en in het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie.

Ook op het vlak van de voeding heeft het OIVO meermaals van zich laten horen. Sinds vier jaar realiseert het OIVO brochures en tentoonstellingen en coördineert het een informatiecampagne rond voedselveiligheid, dit in samenwerking met de verbruikersorganisaties, de overheid en de beroepsverenigingen van landbouwers, voedingsindustriëlen en distributeurs.

Waar het de voedselveiligheid betreft, is het consumentenvertrouwen meermaals en diep geschokt: hormonen, gekkekoeienziekte, GGO's, dioxines, een voor een oorzaken van ongerustheid bij de consumenten. De overheid stelt hoge verwachtingen in het nieuw Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. De verbruikersorganisaties rekenen vooral op een betere communicatie met de consumenten, een betere klachtenbehandeling en een meer doorzichtige controle van de hele voedselketen. De consumentenorganisaties en het OIVO willen alle medewerking verlenen aan de realisatie van deze doelstellingen, onder andere door actief mee te werken in het adviescomité van het Federaal Agentschap.

Dit alles betekent een hele opdracht voor het OIVO en kan maar gerealiseerd worden dankzij de inzet van iedereen die bij de instelling betrokken is: zijn personeel, de leden van de raad van beheer en de overheidinstanties die zijn activiteiten financieren en een beroep doen op zijn diensten.

Toespraken van onze voogdijministers

M. Charles Picqué, federaal Minister van Economie, stelt naar aanleiding van deze verjaardag dat er in 25 jaar heel wat veranderd is in de wereld van de consumptie. In het begin kwam het erop neer een evenwicht te vinden in de machtsverhoudingen tussen producenten en consumenten. Het OIVO had een taak op het vlak van onderzoek en informatie en technische steun. Het consumentenrecht heeft zich geleidelijk ontwikkeld, al blijft er heel wat te doen en moet er gewaakt worden over de toepassing ervan. Consumentenbescherming gaat verder dan reclame en heeft te maken met alle aspecten van het maatschappelijk leven: gezondheid, gedrag, enzovoort, en dit zowel op Europees als op mondiaal niveau.

Nochtans is er in deze ontwikkeling van de consumentenbeweging een zekere paradox te bespeuren: organisaties zijn verschillend, ze komen en gaan, en volgen in hun optreden niet altijd de uitdagingen van het moment. Hier was een rol weggelegd voor het OIVO, altijd ondersteund door de Minister van Economische Zaken, om mee te werken aan een antwoord op de vele vragen van een evoluerende maatschappij.

Deze dag staat in het teken van duurzame consumptie: het recht op consumentenbescherming moet ook in de toekomst gewaarborgd worden, ook de toekomstige generaties hebben recht op deze bescherming. Ook de overheid heeft hier een rol te vervullen. Denken wij maar aan de wet op het consumentenkrediet, die afrekent met onbillijke en onrechtvaardige situaties.

Consumentenkrediet is een motor voor de economie, maar die motor kan vervuilen. De Minister van Economie moet de consumptie aanmoedigen en de goede werking van de economie veilig stellen, maar moet tegelijkertijd de rol als overheid waarmaken en de consument beschermen. Tegenover de vrijheid van de markten staat de overheid die regulerend moet optreden, aandacht moet hebben voor het ethisch aspect van de economie (bv de invoering van een sociaal label), vooruitziend moet zijn en verder moet kijken dan het kortetermijndenken van de markt. De maatschappij mag niet overgeleverd worden aan de loutere marktwerking van de economie.

De Minister geeft hier het voorbeeld van de Verenigde Staten, waar bij gebrek aan adequate regelgeving meer en meer gezinnen zich in de schulden steken om zelfs maar hun dagelijkse elementaire behoeften te voldoen. In België staat een positieve kredietcentrale op stapel en tijdens het Europees voorzitterschap zal dit ook op Europees vlak een prioriteit worden.

Mevrouw Magda Aelvoet, Minister van Volksgezondheid, Leefmilieu en Consumentenzaken, benadrukt het positief effect van het optreden van de verbruikersorganisaties en het OIVO gedurende al deze jaren. De interesse van de overheid in consumentenzaken is toegenomen en een nieuwe, meer coherente aanpak is mogelijk geworden door de bundeling van de bevoegdheden van gezondheid, milieu en consumentenzaken. De bevoegdheden inzake consumptie zijn erg versnipperd; soms bestaat de wetgeving wel, maar is ze moeilijk toepasbaar en afdwingbaar. Tot nu kregen concrete problemen een fragmentaire oplossing, vanaf nu zal alles in een globale context kunnen gesitueerd worden. Voor de omzetting van de Europese richtlijnen is er al een gedeeltelijke hergroepering van bevoegdheden.

De laatste maanden werden verschillende initiatieven genomen om de coherentie te versterken. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen wordt binnenkort operationeel en zal een grotere bescherming bieden voor de consument door een meer transparante controle van de voedselketen.

Ook de veiligheid van niet-voedingsproducten die voor de consument bestemd zijn, wordt opnieuw bekeken: de verschillende bestaande reglementeringen worden samengevoegd en geharmoniseerd in één kaderwet, die van toepassing zal zijn voor alle producten die de consument aanbelangen. De specifieke eisen per product of productgroep worden geregeld via uitvoeringsbesluiten (KB's). Ook de controleprocedures en administratieve formaliteiten voor de producenten zullen geharmoniseerd worden. De Minister hoopt dat het Parlement haar aanpak zal volgen, zodat een grotere coherentie de veiligheid zowel voor ondernemingen als voor de consumenten zal bevorderen.

In de toekomst moet de overheid een meer actieve rol spelen als gesprekspartner van de economische en sociale actoren. Wat consumentenbescherming betreft, heeft het OIVO al heel wat werk gerealiseerd en is het in zijn activiteiten mee geëvolueerd met de veranderingen in de samenleving, zelfs al behoorden deze oorspronkelijk niet tot zijn basisactiviteiten. In dit kader kan het OIVO verder op bijkomende steun rekenen vanuit het Ministerie van Consumentenzaken, en dit in afwachting dat een beheerscontract wordt afgesloten.

Ook verwacht de Minister een goede samenwerking van het OIVO en de verbruikersorganisaties om de politieke doelstellingen van de regering inzake consumentenbescherming te realiseren. De uitdaging van vandaag is immers dat de kwaliteitseisen die de verbruikers stellen, gelijke tred houden met de wijzigingen in de markt. Producenten hebben nog altijd gemakkelijker toegang tot de politieke beslissingscentra, de impact van de industriële lobby is niet afgenomen. Vandaar dat de overheid de kans moet geven aan de verbruikersorganisaties om evenveel gewicht in de schaal te werpen, zij vertegenwoordigen immers de gehele bevolking.

Voorkeurthema's
Banken Claim CONSUMENTENBEDROG Consumptie Consumptiebarometer Cultuur CRISIS DIEETTEAM Distributie Duurzame Consumptie ETEN Feesten Financiele Diensten Gezondheid Handelspraktijken HOBBY GEZINSKORF Hygiene INTERNET Jongeren Consumenten KOOPKRACHT Label Marketing News N.TECHNOLOGIE Openbare Diensten PRIJS Recht van de consumenten Senioren SOLDEN Speelgoed SPEL Telecoms Veiligheid VERDIENEN Verslaving VERZEKERINGEN VOEDING Vrije Tijd WATER Woning
Beeld van de dag
Het cijfer
12% 12% van de consumenten wordt geconfronteerd met groot materieel gebrek
Verder lezen
Forum over consumptie
Onlangs kocht ik pralines en wou met bankcontact betalen. Dit was echter pas mogelijk vnaf een ...
Voor het gebruik van dergelijke betaalterminal betaalt de verkoper per transactie een bedrag aan de ...

uit hoeveel personen bestaat het gezin waarop de automatische indexering is gebaseerd ...
Het gezin bestaat voor onze berekeningen uit 2 volwassenen en 1 kind, waar een kind telt als 1/3 van ...

Consumenteninfo
Belspelletjes: vervolg… en sluitstuk?
De belspelletjes beleven ook in de programma's van Waalse zenders mogelijk hun laatste uren. Dat is alvast de wens van het OIVO, naar aanleiding van ...
Het instituut voor innovatie staat op de rails
Binnen het Europees Parlement is er het Europees Instituut voor innovatie en Technologie (EIT). Zijn rol bestaat erin projecten van commissies voor ...
Verder lezen
Neem gratis een abonnement
Juist / Fout
Van vruchtensappen zonder toegevoegde suiker mag je drinken zoveel je wilt!

Juist - Fout