De Commissie op kruissnelheid
In een laatste fase voor ze naar het Europese Hof van Justitie stapt heeft de Europese Commissie een ‘met redenen omkleed advies' aan België gezonden. De Commissie laat blijken dat het haar echt wel menens is, nadat een eerder verstuurde schriftelijke aanmaning door België in de wind werd geslagen.
Alles heeft te maken met het foutief omzetten van richtlijn 2005/29/EG. Richtlijnen zijn instrumenten van Europa die een algemene standaard opstellen ter verwezenlijking van het daarin vooropgestelde doel. Deze richtlijn heeft tot doel een hoog niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen door de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken die de economische belangen van de consument schaden, te harmoniseren. In casu moet België dus de richtlijn omzetten in een gedetailleerde wetgeving inzake oneerlijke handelsgebruiken en moet zij deze wet conform de richtlijn gaan toepassen. Dat gebeurde recentelijk met de nieuwe marktpraktijkenwet van 2010.
De sperperiode
Punt van discussie is de zogeheten sperperiode. Deze sperperiode gaat vooraf aan de solden en behelst een periode van minder dan een maand waarin geen prijsverminderingen mogen worden doorgevoerd en ook niet mag worden verwezen naar eventuele kortingen. Tweemaal per jaar (van 6 tot 30 juni en van 6 december tot 2 januari) mogen de winkeliers niet aan hun prijzen sleutelen. Volgens de wetgever geeft het bestaan van de sperperiode aan de consument de mogelijkheid om de omvang van de prijsvermindering tijdens de koopjes ten aanzien van de referentieprijs te beoordelen en doet het een transparantie over de toegestane prijzen ontstaan, wat de bescherming van de consument ten goede komt. Ook het OIVO is voorstander van een dergelijke sperperiode. Handelaars verbieden om toekomstige prijsverminderingen aan te kondigen of te suggereren is noodzakelijk. De consument moet steeds de mogelijkheid hebben om de “normale” prijzen te kennen en zo te kunnen beoordelen hoe groot de effectieve kortingen zijn. De consument zal zich zo minder aan "valse kortingen" laten vangen.
De eerder vermelde Europese richtlijn omschrijft onder meer welke reclamepraktijken door de lidstaat mogen verboden worden.
Het aankondigen en/of suggereren van wettelijk toegelaten prijskortingen staat niet op die lijst en mag dus bijgevolg niet worden verboden.
Met andere woorden, volgens Europa moet de Belgische sperperiode verdwijnen. Na de eerste schriftelijke aanmaning bracht de Belgische staat de sperperiode terug van tweemaal zes naar tweemaal vier weken maar dat bleek voor de Commissie dus niet voldoende en stuurde zij België een met redenen omkleed advies. Hierin dreigt zij ermee de Belgische staat voor het Europese Hof te dagen als die haar wetgeving ter zake niet aanpast.
Lopende procedures
En het is net hiermee dat de Commissie zichzelf voorbij holt. Een en ander begon met een klacht van Unizo, de unie van zelfstandige ondernemers, tegen warenhuisketen Galeria Inno wegens het doorvoeren van prijsverminderingen tijdens de sperperiode. In een laatste fase stelde het Hof van Cassatie een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie waarin ze vraagt of de door de Belgische wetgever ingevoerde sperperiode er effectief toe bijdraagt de consument te beschermen en of deze dan al dan niet dient afgeschaft te worden.
Een ander, maar heel vergelijkbaar verhaal met kledingketen ZEB. Deze lapte zowel in december 2009 als in de zomer van 2010 de sperperiode aan z'n laars. In eerste instantie werd ZEB in het gelijk gesteld en werd de sperperiode in strijd verklaard met het Europees recht. Het Brussels Hof van Beroep wil nu echter wachten tot het Hof van Justitie heeft geantwoord op een prejudiciële vraag die de rechtbank van Dendermonde heeft gesteld in een andere procedure tegen ZEB om hierover uitsluitsel te geven.
Conclusie
Het OIVO is, net als Unizo en ModeUnie, van mening dat de Europese Commissie eerst het antwoord van het Hof moet afwachten alvorens ons land voor datzelfde Hof te dagen. Dat is nu eenmaal de meest logische manier van werken. Het spreekt vanzelf dat indien het Hof zou beslissen dat de sperperiode onwettig is, deze beslissing zal moeten gerespecteerd worden. Het OIVO benadrukt echter nog eens dat het van mening is dat dergelijke periodes absoluut in het voordeel van de consument zijn en het die niet graag ziet verdwijnen. Het wordt echter afwachten hoe het Hof van Justitie daarover denkt. Eind dit jaar of begin volgend jaar krijgen we hierop een antwoord.