Aangeboren of aangeleerd?
Oriëntatievermogen is aanvankelijk aangeboren, maar kan toch deels bijgestuurd worden. Om de zin voor oriëntatie aan te scherpen, moeten strategieën aangewend worden om de lacunes te vullen.
Er bestaan meerdere theorieën over oriëntatiezin. Sommige theorieën stellen dat mannen meer de rechter hersenhelft (ruimtelijk inzicht) gebruiken, terwijl vrouwen meer de linker hersenhelft (taal) gebruiken. Deze theorie verklaart echter niet alles, want de twee hersenhelften hebben onderlinge verbindingen. Elke hersenactiviteit impliceert dus dat de twee helften meewerken, en dit zowel bij de man als bij de vrouw.
Een andere theorie grijpt liever terug naar een erfenis uit het prehistorische tijdperk. De mannen hadden als taak op zoek te gaan naar voedsel en moesten hun gevoel voor oriëntatie dus wel ontwikkelen om de weg te vinden. De vrouwen die in de grot bleven, ontwikkelden eerder een sterk waarnemingsvermogen, om sneller op te merken wanneer iemand hun territorium betrad. Deze theorie zou tevens verklaren waarom mannen in afstanden spreken (bijvoorbeeld na zoveel meter rechts afslaan) wanneer ze de weg uitleggen, terwijl vrouwen daarbij herkenningspunten (opvallende omgevingsfactoren) gebruiken.
Een derde theorie zegt dat de hormonen een bepalende rol spelen in de oriëntatiezin. Een hoger testosterongehalte lijkt het gevoel voor oriëntatie te verbeteren. Het van nature hoger testosterongehalte bij mannen zou dan verklaren waarom hun oriëntatievermogen beter ontwikkeld zou zijn.
Een studie(1) uit 2004 toont echter aan dat er geen betekenisvol verschil zou bestaan tussen mannen en vrouwen wat het oriëntatievermogen betreft.
Oplossingen
Er zijn inderdaad mensen voor wie de weg vinden een hindernissenparcours is, maar daar zijn oplossingen voor. Een persoonlijk zakboekje kan bijvoorbeeld een goede hulp zijn. Schrijf daar herkenningspunten in (bijvoorbeeld een vakwerkhuis met rode luiken), de bijhorende straatnaam en de positie ten opzichte van een gekend punt. Als het oriëntatiegevoel u dan op een dag in de steek laat, volstaat het in dat zakboekje te kijken; een eenvoudige en goedkope methode.
Een ander hulpmiddel is de GPS. Die kan gebruikt worden voor nieuwe trajecten of wanneer je verdwaald bent. Het enige nadeel is dat dit toestel, als het te vaak gebruikt wordt, niet helpt de zin voor oriëntatie te ontwikkelen. Beter is dus zelf te proberen op de bestemming te geraken (als de weg gekend is) voordat u de GPS gaat gebruiken, zeker als u de weg al een keer eerder aflegde.
(1) Allard G. en Fischer C., 2004, "Mesure d'un sens inné de l'orientation" (meting van aangeboren zin voor oriëntatie).